boos

Sla me open als een boek, in gedachten
met jouw hand al in mijn broek. Geleid
door jouw schoonheidswaanzin
volg ik je overal. Eerder gaf je me vertrouwen
in mijn kunnen. Nu smelt ik al stuntelend
in jouw armen om tot vrouw vrouw vrouw.

Lees Verder

luister

Luister, zegt ze, luister en ik luister naar haar stem. Roep haar naam in al mijn stiltes, ga op zoek in mijn gemis. En ik vind haar tussen muren, in een kelder zwak verlicht. Luister, roept ze, één keer, want ik vloed en eb al weg.

Ik ben er, zeg ik, ben hier, zoek me zachtjes bij elkaar. Laat me proeven van de stilte, hier in mijn gevangenis. Want in de krochten van mijn hart is waar ik haar vind, ongeremd. Ongerept en onbereikbaar, slechts voor mij alleen bestemd.

Lees Verder

Vandaag

Ik kan mijn fouten maar moeilijk verteren. Ze blijven steken in mijn keel, hopen zich op in mijn buik. Ik weet niet wat het is, misschien een onbekende allergie die ik oproep wanneer ik iets stoms doe. Mijn hele lichaam schreeuwt het uit, heeft het op mij gemunt; hoe heb je nou ooit zoiets doms kunnen doen? De angst vult mijn longen, de schaamte rolt zich op in mijn maag. Ik had beter moeten weten, een ander was dit nooit overkomen. Maar vandaag, vandaag dacht ik niet na.

Lees Verder

Dostojevskiaanse dorst

Maar juist in die kille, walgelijke, halve wanhoop, in dat halve geloof, in dat uit verdriet bewust zichzelf levend begraven in het ondergrondse voor veertig jaar, in die met het verhevigd bewustzijn doorvoelde en toch deels betwijfelbare uitzichtloosheid van haar situatie, in al dat gif van onbevredigde verlangens waarvan zij vervuld is, in heel die koorts van weifelingen, van voor eens en voor altijd genomen beslissingen en een ogenblik later alweer opkomende spijtgevoelens – daarin ligt het vreemde genot besloten […]

F.M. Dostojevski, Aantekeningen uit het ondergrondse (1864)

Ik lach, maar in gedachten veracht ik elk woord dat ik zeg. De leugen neem ik dan nog voor lief, maar het veinzen valt toch zwaar op de maag; ik drink het bloed dat ik vergiet. Ik weeg het glas in mijn handen, laat de vloeistof over de rand klotsen, mijn tanden rood kleuren. De geur maakt me misselijk, maar ik geniet van iedere slok, een behagen dat enkel in ondergrondse termen valt te verklaren.

Lees Verder