kind

Ik wil terug naar dat kind op de balustrade, dat zorgeloze zorgen maken, denken in zwart-wit omdat de grenzen nog zo helder waren.

Mooie woorden redden me niet langer, dat verlangen naar waarheid trek de teugels nog wat strakker aan;

ik snak naar oprechtheid, maar soms maakt het goede me bang. Maar wat moet ik dan wat moet ik dan? Rennen

tegen de stroom in, dromen in stilte, me afsluiten, verleren wat de wereld weet, vergeten wat willen is of omarmen, tegen beter weten in me verliezen in andere visies,

met de stroom mee liefdevol omringen, juist omdat dit alles slechts tijdelijk maar het leven straks oneindig is…

en ik weet ook niet wat ik vinden moet, maar het goede overwint, dat weet zelfs het kind op de balustrade dat alles gadeslaat, maar niets veroordeelt;

dat nog niet in kleuren ziet, zich zorgen maakt om niets;

dat geeft omdat het geven kan, neemt wanneer het nemen kan, maar nog niet van transacties weet.

Neem me mee naar dat kind op de balustrade, daar waar de grenzen nog zo helder waren, de wereld nog zo overzichtelijk van boven, de zon in zijn ogen; alles schittert

nog zo lang als het klein en onbezonnen naar beneden kijkt, want daar ligt zijn wereld, reiken zijn plannen; overvallen enkel door het licht dat prikt of het boze gezicht van zijn moeder als hij te ver over de reling leunt, steeds verder, verder, dieper tot het geen steun meer vindt en

laat ik me vallen, raap me op, kijk omhoog naar dat kind dat nog overal en nergens iets van vindt, de balustrade ziet als tralies, maar eigenlijk nog vrijer is dan wij allemaal, dan ik hier beneden. De wrede illusie van vrijheid houdt me gevangen,

gevangen in de blik van een kind dat alles weet, maar dat nog leren moet wat 7 maal 70, wat liefde en wat rekenen is, dat tekent op houten stoelen en de splinters niet ziet.