kwetsbaarheid (tot die tijd)

Uiteindelijk maakt het niet meer uit wat recht en wat krom is, wat gelijk en wat dom is. Zolang we maar begrijpen waarom we voelen wat we soms voelen, blijven stijgen in elkaars achting en verwachten dat er ooit een moment komt waarop we niet meer bedoelen maar alleen maar zijn – zijn in elkaars aanwezigheid waar tijd niet langer relevant en ruimte slechts verzonnen is.

Dan is het gedaan met de vragen over ongeluk en ongeloof, koele blikken klamme handen. Voelen we elkaar naadloos aan, maken ons klein om geborgen te zijn in elkaars aanraking, geheel ontspannen.

Maar tot die tijd maken we ons nog zorgen, om onszelf en om morgen, vatten elkaars onzekerheid op voor venijn, leren de verkeerde danspasjes aan en trappen op elkaars tenen. Tevreden zullen we zelden zijn, maar ruzies helpen om even ons hart te kunnen luchten, elkaars alwetendheid te ontvluchten. Want blijkbaar restte er nog altijd een stukje verborgen mij dat ik zelf besloot te openbaren en nu roept: “ontwaar en gelief mij!” Controle en loslaten op hetzelfde ogenblik, ik schrik van mijn eigen kwetsbaarheid.

Op een dag gaat mijn zelf geheel en al op in het jouwe – is vertrouwen niet langer zelfstandig maar een werkwoord dat niet schreeuwt om aandacht maar stilletjes zijn ronde doet, de nieuwe dag zorgeloos begroet omdat het weet waarop het kan bouwen. Zich zachtjes laat vallen in de eindigheid van het bestaan, zingend van een nieuw begin.

Maar tot die tijd, oh, tot die tijd…

Op onszelf

op onszelf

Ik houd mezelf voor de gek wanneer ik zeg dat ik graag op mezelf ben, want dat ben ik helemaal niet. Eenzaam een maaltijd opeten die ik zelf heb gekookt met mijn bord op schoot en een serie op TV – wie houd ik voor de gek, wat moet ik ermee, met al die leegte om me heen?

Lees Verder

klein

Maak ik je te klein, pas je zometeen alleen nog maar in mijn hand, laat ik je benen bungelen over de rand, knijp ik je per ongeluk fijn.

Lees Verder

rondjes

We dansen rondjes om elkaar – in deze tijd kunnen we ook niet zoveel anders. Houden handen vast in gedachten, proberen het leed met onze blikken te verzachten. Met onze armen uitgestrekt wachten we op de volgende stap, betreden de grond heel voorzichtig, laten ons niet verstikken, maar verwarmen door digitale woorden. We voelen elkaar niet echt, maar we horen nog, zijn elkaar nog niet verloren – nog steeds in evenwicht.

Lees Verder

nader toe

Ik wil niet als één van de velen je vervelen met gesprekken die je morgen alweer bent vergeten. Ik wil je onverdeeld, dat je me mist als ik het af laat weten. Ik wil je blik en blije ogen als ik je gezichtsveld kom betreden. Ik wil je aandacht, slechts een fractie; ik kom zelf de rest wel stelen.

Lees Verder

Te veel

Ik ben bang dat ik te veel ben,
dat ik enkel loos geschreeuw ben.
Dat ik je zelfs, zonder te horen,
in de kiem probeer te smoren.
Jouw stem verheft de mijne,
blaast je woord voor woord omver.
Zie je glimlach plots verdwijnen
als je zegt ‘dat lijkt me sterk’.

Lees Verder

Klaar

Ik ben zo klaar met jouw alles. Jouw schijnen en zijn. Jouw vermoeiende goed bedoelen. Jouw niet begrijpen, altijd anders zijn. Jouw nooit veranderende eigenwijs zijn.

Lees Verder

Lief

Je aardigheid is selectief;
het is ook moeilijk om iedereen lief te hebben.
Als een dief in de nacht steel je haar aandacht
en neem je de mijne maar voor lief.
Het doet me toch ergens pijn te moeten weten
dat ik nooit jouw lieveling zal zijn,
omdat je mij al bent vergeten