kind

Ik wil terug naar dat kind op de balustrade, dat zorgeloze zorgen maken, denken in zwart-wit omdat de grenzen nog zo helder waren.

Mooie woorden redden me niet langer, dat verlangen naar waarheid trek de teugels nog wat strakker aan;

ik snak naar oprechtheid, maar soms maakt het goede me bang. Maar wat moet ik dan wat moet ik dan? Rennen

tegen de stroom in, dromen in stilte, me afsluiten, verleren wat de wereld weet, vergeten wat willen is of omarmen, tegen beter weten in me verliezen in andere visies,

met de stroom mee liefdevol omringen, juist omdat dit alles slechts tijdelijk maar het leven straks oneindig is…

en ik weet ook niet wat ik vinden moet, maar het goede overwint, dat weet zelfs het kind op de balustrade dat alles gadeslaat, maar niets veroordeelt;

dat nog niet in kleuren ziet, zich zorgen maakt om niets;

dat geeft omdat het geven kan, neemt wanneer het nemen kan, maar nog niet van transacties weet.

Neem me mee naar dat kind op de balustrade, daar waar de grenzen nog zo helder waren, de wereld nog zo overzichtelijk van boven, de zon in zijn ogen; alles schittert

nog zo lang als het klein en onbezonnen naar beneden kijkt, want daar ligt zijn wereld, reiken zijn plannen; overvallen enkel door het licht dat prikt of het boze gezicht van zijn moeder als hij te ver over de reling leunt, steeds verder, verder, dieper tot het geen steun meer vindt en

laat ik me vallen, raap me op, kijk omhoog naar dat kind dat nog overal en nergens iets van vindt, de balustrade ziet als tralies, maar eigenlijk nog vrijer is dan wij allemaal, dan ik hier beneden. De wrede illusie van vrijheid houdt me gevangen,

gevangen in de blik van een kind dat alles weet, maar dat nog leren moet wat 7 maal 70, wat liefde en wat rekenen is, dat tekent op houten stoelen en de splinters niet ziet.

Luister

Luister, zegt ze, luister en ik luister naar haar stem. Roep haar naam in al mijn stiltes, ga op zoek in mijn gemis. En ik vind haar tussen muren, in een kelder zwak verlicht. Luister, roept ze, één keer, want ik vloed en eb al weg.

Ik ben er, zeg ik, ben hier, zoek me zachtjes bij elkaar. Laat me proeven van de stilte, hier in mijn gevangenis. Want in de krochten van mijn hart is waar ik haar vind, ongeremd. Ongerept en onbereikbaar, slechts voor mij alleen bestemd.

En ik weet nog hoe ze liefde, zo voorwaardelijk gehecht en ik weet nog hoe ze lachte, zo gevaarlijk onoprecht. Zo naïef in haar vergissingen, beperkt in haar gedachten. Maar ze was er en ze trapte alle huisjes heilig neer – heilig overtuigd van onschuld, vechtend voor haar eigen eer.

Luister, zegt ze, hoor eens hoe ik twijfel aan jouw woorden. Jij zegt dat je verder gaat, maar laat mij achter in het donker. Je verbreekt al mijn geboden, geeft aan vreemden stukjes hart. Laat niets meer van of voor mij over, maakt niet nederig maar zwart.

En je veinst alwetendheid, alsof zoiets valt te bereiken. En als je valt, dan sta je zomaar – kijkt niet op of achterom. Laat mij de stukjes rapen, laat me snijden aan jouw scherven. Ik bind je samen, jij mij vast. Noem je me dom? Je weet niet beter, laat me niet lachen in mijn graf.

Luister, zeg ik, maar ze hoort niet. Fluister haar naam in diepe stilte, verloren als ik naar haar zoek. Maar net zo verloren ben ik als ik haar vastpak of haar zachtjes bij me roep. Want ik kan haar niet verlaten, maar haar lieven is een vloek. En ik kan haar niet verachten, maar ik verlies haar continu.

Mijn diepste ik, zij die alles van mij weet, houdt mijn falen gevangen in haar greep. Trekt me terug naar het verleden, toen ik nog niet wist hoe ik heette. Vergeet niet wat ik heb gedaan om haar leugens te verslaan. Draag haar stilletjes naar boven, naar het water, laat haar gaan. Op de golven, laat haar vrij en luister naar het deinen van haar woorden als ze te licht worden bevonden en al drijvend in het duister de overkant bereiken. Zie haar verdwijnen, mijn eigen ik.

Luister, roept ze, luister. Maar de zee neemt haar mee.

rondjes

We dansen rondjes om elkaar – in deze tijd kunnen we ook niet zoveel anders. Houden handen vast in gedachten, proberen het leed met onze blikken te verzachten. Met onze armen uitgestrekt wachten we op de volgende stap, betreden de grond heel voorzichtig, laten ons niet verstikken, maar verwarmen door digitale woorden. We voelen elkaar niet echt, maar we horen nog, zijn elkaar nog niet verloren – nog steeds in evenwicht.

Lees Verder

Ik ontmoet Jou #1

meisje in het bos

Wat als je jezelf kon ontmoeten? Wat als je jongere ik je op een dag op sleeptouw zou nemen, op ontdekkingsreis misschien – echter niet met het doel een verborgen schat te vinden, maar om je te confronteren met de consternatie die je hebt veroorzaakt, de onoplosbare problemen die je leven rijk is.
Misschien had je haar toch liever toen ze nog in het verleden zat.

Lees Verder

nader toe

Ik wil niet als één van de velen je vervelen met gesprekken die je morgen alweer bent vergeten. Ik wil je onverdeeld, dat je me mist als ik het af laat weten. Ik wil je blik en blije ogen als ik je gezichtsveld kom betreden. Ik wil je aandacht, slechts een fractie; ik kom zelf de rest wel stelen.

Lees Verder

schiereiland

schiereiland Kroatië

Nog even en ik ben elke band met je verloren. Dan is jouw huis niet meer het mijne, zal mijn voetstap langzaamaan verdwijnen. Bestaat dat oude, vertrouwde alleen nog in herinnering, moet ik mezelf dwingen alles enkel in mentale foto’s te zien, in opgeschreven woorden te horen.

Lees Verder

Vuur

Een groene vuurzee strekt zich voor me uit, met pieken van rood en goud die glinsteren in de vlammen. Hier en daar ontwaar ik ook wat zilver, omdat je moeder het niet kon laten. Geen gezicht, zei je – ik hield mijn mond vol tanden.

Een groene slang kruipt aan ons voorbij. Ooit wist jij alle slangen te bezweren, maar nu probeert het monster jou te betoveren met zijn ingewikkelde choreografie. Hij hapt naar je enkels, windt zich om je benen, maar jij ontspringt zijn rituele dans.

Lees Verder

Even

Jij bent maar voor even. Ik leg mijn hoofd in je kussen en je bent alweer voorbij. Ik voel je frisse zonnestralen op mijn wang. Eventjes maar, want jij houdt niet van wachten. Je holt voor me uit, laat je niet vangen in lijstjes die ik als netten over je uitgooi. Hoe ik je ook corrigeer, je leert er niets van. Blijft maar rennen, rennen, rennen. 

Lees Verder

Ik ga op reis

Ik ga op reis en neem je mee, achter in de kofferbak. Vind je dat een goed idee? Ik ga op reis en pak je in, doe de koffer goed op slot. Weet je dan niet dat ik je bemin? Ik offer alles voor je op. Ik wil je houden, van je houden. Met je trouwen, in een paleis, op het schavot – kan me niet schelen. Al veins je onwetendheid, net alsof je me niet kent, ik weet: ooit komt er een moment dat je bij me wil zijn, niet uit noodzaak maar uit een verlangen naar vrijheid, want alleen bij mij ben je echt vrij. We gaan op vakantie, ver en lang; op de camping spelen we Risk en schaken we tot jij je gewonnen geeft en ik je in mijn armen sluit. Je fluistert zachtjes mijn naam – of heb ik dat verzonnen?

Lees Verder

Verveeld

Al het bijzondere is gewoon geworden, ik verveel me in jouw ogen die alles al hebben beleefd en bewogen. Wat zijn we al snel op elkaar uitgekeken, naar de schermpjes voor ons uitgeweken, omdat we onverzadigbaar zoeken naar iets dat dat gevoel weer in ons op kan roepen.

Lees Verder